Is NSB-burgemeester minder fout dan gedacht?
In dit artikel:
Op 4 mei herdenkt Nederland met twee minuten stilte de Tweede Wereldoorlog, maar volgens Henk Poelakker reikt die gedachte tegenwoordig verder: mensen denken niet alleen terug aan ’40-’45 maar ook aan actuele conflicten. Vrijheid blijft kwetsbaar; machtsstrijd en verkilde meningen zijn nog steeds aanwezig, zowel op wereldniveau als dichtbij huis, waar ‘samen’ soms is vervangen door polarisatie.
Poelakker, geboren in 1953, beschrijft hoe de naoorlogse samenleving sterk neigde naar een zwart-witbeeld. In de jaren direct na de bevrijding werden mensen snel in ‘goed’ of ‘fout’ ingedeeld: verzetsmensen en hulpverleners werden verheven tot helden, terwijl aanhangers van de NSB, leden van de Waffen-SS of collaborateurs als verraders werden afgewezen. Die eenvoudige categorisering trof niet alleen directe daders; hele gezinnen, inclusief kinderen, kregen de maatschappelijke stempel van fout en werden vaak uitgesloten of vernederd. Voorbeelden van publieke vergelding waren schaamtepraktijken zoals het kaal scheren van vrouwen die verbanden hadden met Duitse soldaten en het plunderen van huizen van NSB’ers.
De schrijver nuanceert dit beeld door te wijzen op achterliggende motieven en latere inzichten. Direct na de oorlog bestond een enorme behoefte aan duidelijkheid en snelle rechtvaardigheid, wat het zwart-witdenken voedde. Later onderzoek en maatschappelijke reflectie – sterker vanaf de jaren zestig – lieten zien dat keuzes vaak complexer waren: sommige mensen sloten zich uit armoede of hoop op betere levensomstandigheden aan bij de NSB, terwijl anderen onder druk samenwerkten met bezetters. Ook ambtenaren en hulpverleners die tijdens de bezetting bleven functioneren werden toen alom als samenwerkend gezien, maar de realiteit bleek soms grijs.
Als illustratie haalt Poelakker de lokale casus van Heusden aan: de NSB-burgemeester Alfred Thomaes, die van 1942 tot 1944 regeerde en na de oorlog werd veroordeeld tot zeven jaar gevangenisstraf, waarschuwde toch op meerdere momenten een Joodse vrouw en haar zoon bij naderend gevaar. Die handelwijze werpt een complex beeld op van iemand die formeel aan de foute kant stond maar in bepaalde gevallen bescherming bood — een voorbeeld van hoe morele oordelen niet altijd eenduidig zijn.
De oproep in het stuk is duidelijk: herdenken moet niet alleen herinneren aan heldendom en verraad, maar ook aan nuance en menselijkheid. Poelakker pleit ervoor dat de huidige samenleving leert omgaan met verschillen en niet terugvalt in simplistisch goed-of-foutdenken, zodat samenleven en wederzijds begrip behouden blijven.