Langstraotse Praot: Buurehulp
In dit artikel:
Na de bevrijding werd de boerderij van Gerrit van Bragt door twee achtergebleven Duitse militairen uit kwaadheid in brand geschoten. Zijn gezin woonde eerst in een leegstaand boerderijtje en daarna in een noodwoning achter de ruïne. Enkele jaren later kwam er een nieuwe wederopbouwboerderij aan de overkant van de straat.
Gerrit kreeg een groot, zwart trekpaard dat door een granaatscherf een gat in zijn wang had. Het dier maakte bij elke stap een piepend, bijna muzikaal geluid. Omdat Gerrit weinig ervaring had met paarden, vroeg hij Kees, de vader van de verteller, om mee te ploegen. Hoewel Kees niets afwijkends aan de manier van lopen zag, bleef Gerrit het paard wantrouwen en liet hij het uiteindelijk van het land halen.
Begin jaren vijftig hielp de verteller tijdens de oogst op de boerderij. Gerrit werkte toen met een opvolger van het gewonde paard, maar deed alles bijzonder omslachtig: hij liet het paard na elke gemaaide strook alleen teruglopen en zette het daarna opnieuw voor de wagen. Volgens Gerrit was zijn paard net een tractor, maar de oogst vorderde daardoor nauwelijks. De verteller hielp hem en bond drie schoven tegelijk, waardoor ze samen in één middag een heel stuk land afwerkten.
Toen vier jonge kapucijnen uit Biezenmortel langskwamen, citeerde Gerrit de Bijbel: er was veel oogst, maar weinig arbeiders. De geestelijken trokken hun mouwen op en hielpen spontaan mee met het binnenhalen van de oogst.
De Oranjezomer: Wilco van Schaik onder de indruk van Tadić: 'De Djokovic van het voetbal!'