Nostalgie Jonker Fris deel 7: Het Wapen van Amsterdam werd het Maagdenhuis van Heusden
In dit artikel:
Bij de vesting van Heusden staat nog altijd de schoorsteen van de voormalige conservenfabriek Jonker Fris, die in 2008 na bijna honderd jaar sloot. Henk Poelakker beschrijft hoe de seizoensgebonden productie lange periodes van dag- en nachtarbeid vereiste en hoe dat sinds de oorlog leidde tot een wisselende, vaak internationale arbeidsbevolking.
Direct na de oorlog bestond het personeelsbestand vooral uit vaste krachten en veel thuiswerkers uit de wijde omgeving; huisvestingsgebrek zorgde ervoor dat veel medewerkers niet in Heusden woonden. In de jaren zestig kwam systematische buitenlandse werving op gang: vanaf 1960 werden Belgische grensarbeidsters actief geworven (via advertenties, arbeidsbureaus en lokale bezoeken). Bussen brachten hen dagelijks naar Heusden; betalingen begonnen in contante franken en ontwikkelden zich later naar seizoenscontracten en regulier loon. Vanaf de jaren zeventig nam de instroom uit België af.
In de vroege jaren zeventig werden Joegoslavische vrouwen via het Centraal Arbeidsbureau in Belgrado gerekruteerd; bijna honderd kwamen in verschillende lichtingen en verbleven in het door de gemeente gehuurde pension ‘Het Wapen van Amsterdam’, met tolkhulp en kost- en inwoning tegen betaling. Eerder, halverwege de jaren zestig, waren er korte groepen Grieken en rond die periode ook Marokkaanse werknemers. Vanaf 1979 fungeerde hetzelfde pension als onderkomen voor Turkse seizoensarbeiders; in de topjaren werkten ongeveer 65 Turken bij Jonker Fris en sommige gezinnen wilden nadien overkomen.
Het verhaal van Jonker Fris illustreert hoe seizoensarbeid, woningtekort en internationale wervingspraktijken samen de arbeidsgeschiedenis van een regionaal industrieel bedrijf bepaalden.